College Bescherming Persoonsgegevens (CBP)

Het CBP houdt toezicht op de naleving van wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen, met name de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP), de Wet politieregisters (Wpolr) en de Wet gemeentelijke basisadministratie (Wet GBA).  Het CBP is onafhankelijk.

Het CBP adviseert. Het CBP controleert niet automatisch en structureel of haar adviezen worden opgevolgd en uitgevoerd.

Het CBP zal in eerste instantie afgaan op schriftelijke vastgelegde afspraken die n.a.v. een advies gemaakt worden. Daarnaast kan het CBP een steekproef doen of een onderzoek te plaatse en indien nodig sanctioneren. Ook signalen uit de samenleving die erop wijzen dat in strijd met de wet (of een advies over de uitvoering daarvan) wordt gehandeld kunnen aanleiding geven tot onderzoek.  Deze praktijk is een gevolg van de beperkte budgettering door de overheid. 
 

WIE BEGINT HET PROCES?

Jacob Kohnstamm (voorzitter CBP) in NRC-Handelsblad (3 oktober 2005):

,,Eigenlijk zijn dbc's in strijd met de wet'', zegt Kohnstamm verwijzend naar de Wet bescherming persoonsgegevens. ,,Dit soort gegevens kan alleen op wettelijke gronden worden overgedragen aan derden. Het is in strijd met de wet en in strijd met het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens. Maar wij zitten niet op de stoel van politici.'' De privacy-waakhond wacht op een proces bij het Europese Hof. ,,Ik sluit niet uit dat we dan gelijk krijgen.'' 


Standpuntwijziging van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) inzake de diagnosevermelding op GGZ-declaraties 

 
Het CBP schreef op 6 december 2006 aan het ministerie (z2006-00205):
 
"...Daarmee [is] naar het oordeel van CBP voldoende aannemelijk gemaakt dat ...diagnose-informatie op de declaratie ten behoeve van de zorgverzekeraar noodzakelijk moet worden geacht...".  

http://www.cbpweb.nl/downloads_uit/z2006-00205_2.pdf?refer=true&theme=green          
 
CBP doelt hier op “lang ambulante zorg” (meer dan vijf zittingen) zoals deze door vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten geleverd wordt.  

Het CBP maakt hierbij de kanttekening dat sprake is van “substantiële aantasting van de persoonlijke levensfeer” van de patiënt, waartegen de “gestelde noodzaak”, volgens het CBP, “maar net opweegt”. Hieruit kan worden afgeleid dat het CBP in haar afwegingen heeft getwijfeld.  Bovendien kan worden aangenomen dat het CBP zich hier beperkte tot advisering inzake de verzekerde zorg. Wanneer aan het CBP advies was gevraagd inzake zorg die door de betrokken patient uit eigen middelen wordt gefinancierd ("zelfbetalers")  zou zij wellicht een andersluidend advies hebben gegeven, met name dat in dit geval diagnose-informatie op de rekening niet noodzakelijk (en afdwingbaar) is. 
 
CBP schreef op ruim een jaar tevoren, op 2 november 2005, nog aan minister Hoogervorst (z2005-1144):
 
"...Het medisch beroepsgeheim, verankerd in artikel 88 van de Wet BIG en artikel 7:457 BW (WGBO), ziet in de eerste plaats op vrije toegang tot de zorg voor alle personen waarvoor zorg noodzakelijk is. Persoonsgegevens van cliënten in de GGZ worden uiteraard beschermd door het medisch beroepsgeheim. Het geheim is niet absoluut. Het kan voor specifieke doeleinden doorbroken worden wanneer dit expliciet bij of krachtens wet geregeld is en de noodzaak daartoe vast staat.
 
Het CBP neemt aan dat het noodzakelijk is om persoonsgegevens te verstrekken aan de zorgkantoren. Mede gelet op het zeer gevoelige karakter van gegevens in de GGZ zal naar het oordeel van het CBP een afweging van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit hier dienen te leiden tot geheimhouding van genoemde diagnose informatie. Het CBP verwacht, gelet op de ratio achter het medisch beroepsgeheim, van het blootgeven van dergelijke informatie een belemmering van de vrije toegang tot noodzakelijke zorg. Niet alleen heeft dit gevolgen voor individuen die blijven rondlopen met (ernstige) psychische problemen en hun maatschappelijk functioneren, ook vormt het een bedreiging voor anderen in de maatschappij. Het CBP geeft het voorbeeld van de behandeling van patiënten met stoornissen die onder de noemer ‘parafilieën’ worden geclassificeerd of patiënten met een anoniem druggebruik. Wanneer patiënten weten dat informatie omtrent de aard van hun ziekte buiten de spreekkamer zal worden gebracht, kan een afname van het aantal patiënten dat daarvoor hulp zoekt worden verwacht. ..." 
Zie voor de volledige brief: Brief CBP d.d. 2005 aan de minister.
 
  
Sprake is van een ingrijpende wijziging van het standpunt van het College Bescherming Persoonsgegevens. Declaraties op DBC-basis moeten op individueel niveau en voorzien van diagnostische gegevens bij de verzekeraars aangeleverd worden. Dit betekent ook dat de "gepseudonimiseerde" DBC's die aan DIS worden geleverd door koppeling gemakkelijker tot een individu te herleiden zijn. Hierbij moet overwogen worden dat de zorgverlener zowel op de "declaratie-DBC" als op de "DIS-DBC" met naam bekend gemaakt wordt.
 
Het College Bescherming Persoonsgegevens doet zijn naam helaas geen eer aan. Het permitteert de vrijgave van wat zij hoort te beschermen, namelijk de hoogst privacygevoelige diagnostische informatie afkomstig uit ambulante psychiatrische en psychotherapeutische behandelingen. 

De brief d.d. 6 december 2006 heeft ingerijpende gevolgen gehad bij de invoering van de DBC-systematiek in de psychiatrie-psychotherapie. Bezwaren tegen de privacy schendende aspecten ervan werden steeds verworpen met een beroep op het standpunt van het CBP. Dit geldt met name ook voor de
Beslissing op Bezwaar van de Nederlandse zorgautoriteit d.d. 7 augustus 2008 (pagina's 6 en 8). 

Zoals gezegd is DBC-registratie en declaratie op grond daarvan ook verplicht gesteld bij zelfbetalers. Dit zou wellicht niet het geval zijn geweest wanneer het CBP op explicieter wijze had aangegeven dat haar advisering zich beperkte tot door ziektekostenverzekeraars betaalde zorg. 
 
 
22 december 2006, 23 augustus 2008 KM
 



Index CBP