Hieronder (links naar) berichten over de laatste ontwikkelingen. 

 


6 juni 2013 Gespreksverslag over evaluatie van de privacy opt-out regeling met de Nederlandse Zorgautoriteit
 
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wil de werkzaamheid van haar privacy opt-out regeling (verder: regeling, zie http://wp.me/p2aKuG-2K), nu een jaar oud, evalueren. In dit kader spraken Ronald van den Berg en Kaspar Mengelberg op 3 juni 2013 met de heer Harm Lieverdink en mevrouw Harmke Hulsinga, op uitnodiging van NZa. Het gesprek duurde ongeveer anderhalf uur en verliep in goede sfeer.
 
Functioneren van de regeling.
Wij meldden dat de regeling abominabel functioneert. Slechts in één geval, bij één patiënt, is het na meerdere weigeringen van de ziektekostenverzekering en navenante helpdeskdialogen en correspondenties, door persisteren van de patiënt, gelukt om betaling op basis van rekeningen buiten de DBC-systematiek in strikte zin te verkrijgen. Uit deze rekeningen kon het aantal aan de behandeling bestede minuten, zoals in de DBC-systematiek vereist, worden afgeleid.
 
In meerdere andere gevallen, waarvan één met (geanonimiseerde) afwijzende correspondenties en kopieën van rekeningen toegelicht, stuitten de pogingen van patiënten om van de regeling gebruik te maken op herhaalde weigering van verzekeraars. Enkele malen adviseerden verzekeraars aan patiënten een andere, wel DBC-willige, behandelaar te kiezen. Ook een aantal langdurige telefonades mijnerzijds (KM) met verzekeraars bracht geen verandering.
 
De praktijk is dat patiënten veelal na een of meerdere schriftelijke en/of mondelinge afwijzingen door verzekeraars hun pogingen om de rekeningbedragen door de verzekeraar gerestitueerd te krijgen staken en toch maar zelf betalen. RovdB deelt derhalve aan patiënten als routine mee, dat zij er niet op kunnen rekenen restitutie te krijgen anders dan na grote moeite en dan vaak nog niet.
KM vertelde dat hem buiten zijn praktijk slechts één geval bekend is waarin succesvol van de regeling gebruik is gemaakt.
 
Onze indruk is dat ziektekostenverzekeraars de regeling systematisch weigeren uit te voeren. Dit is onjuist maar niet onverwacht; verzekeraars hebben zich immers van begin af aan krachtig tegen de totstandkoming ervan verzet. RovdB stelt dat er bij verzekeraars over de regeling aan medewerkers op uitvoeringsniveau op zijn minst gebrekkige of wellicht geen voorlichting is.
 
Misstand.
We brachten naar voren dat hier sprake is van een misstand waarbij NZa bemiddelend en zo nodig handhavend zou moeten optreden. Immers, verzekerden kunnen hun recht op behandeling met toepassing van de regeling niet tot gelding brengen. Noodzakelijke behandelingen kunnen niet worden uitgevoerd wanneer de patiënt niet in staat is zelf te betalen. Bovendien worden belangen van de behandelaars geschaad. Ik heb gesuggereerd dat NZa een meldpunt instelt waar patiënten en behandelaars zich toe kunnen wenden bij meningsverschillen of conflicten met verzekeraars bij toepassing van de regeling.
 
Terugwerkende kracht (ingebracht door KM).
Het dictum van het CBb (www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV8297) luidt  onder meer:
“ [Het College] herroept de tariefbeschikking van 20 december 2007 …” Bedoeld is de beschikking van NZa. Dit impliceert dat declaraties zonder diagnose-aanduiding met terugwerkende kracht (tot 1 januari 2008) kunnen worden ingediend en door verzekeraars moeten worden voldaan. Afgesproken is dat NZa zal dit intern aan haar juristen zal voorleggen, en over het resultaat daarvan zal berichten.
 
Tijdstip evaluatie.
KM stelde voorts dat de evaluatie te vroeg plaats vindt. NZa heeft hieraan geen deel. De opt-out regeling is nu weliswaar een jaar oud, maar de Stichting KDVP heeft aanvankelijk ontraden er gebruik van maken te maken. KDVP had dusdanige bezwaren dat zij een nieuwe rechtszaak tegen NZa heeft geëntameerd. (We waren het daarmee oneens, te meer omdat KDVP weigerde haar motieven toe te lichten. Zie http://goo.gl/JXtBC.) Hoe dan ook heeft KDVP pas na de (afwijzende) uitspraak (op 23 maart 2013) in deze rechtszaak het groene licht voor toepassing van de regeling gegeven. Gevolg hiervan is waarschijnlijk dat veel behandelaars en hun patiënten pas na die datum zijn begonnen de regeling toe te passen. De sindsdien gepasseerde twee maanden zijn te kort om tot een zinvolle evaluatie te komen.
 
Vraag om advies van NZa.
NZa vroeg advies over de verder door haar te volgen evaluatiemethodiek. Wij achten het enquêteren van de beroepsverenigingen (NVVP, NVvP) en van het Landelijk Platform GGz zoals NZa van plan is op dit moment niet zinvol. Te verwachten is dat dit, wegens waarschijnlijk gebrek aan ervaring met de regeling, weinig relevante gegevens zal opleveren. Beter kan men zich richten op navraag bij behandelaars waarvan kan worden aangenomen dat zij inmiddels ervaring met de regeling hebben opgedaan. Nogmaals suggereerde KM een meldpunt in te stellen en dit bekend te maken, hierin met klem gesteund door RovdB.
 
Bekendmaking van de evaluatie.
NZa zal de resultaten van de evaluatie bekend maken.
 
Tot slot uitte KM zijn verontwaardiging over het feit dat een lange en arbeidsintensieve rechtsgang, die uiteindelijk tot de regeling van de Nederlandse Zorgautoriteit heeft geleid, tot nu toe in de praktijk geen tastbaar resultaat heeft opgeleverd.
 
Kaspar Mengelberg, mede namens Ronald van den Berg, 6 juni 2013
 
Postscriptum: NZa berichtte inmiddels telefonisch dat inderdaad sprake is van terugwerkende kracht vanaf begin 2008, zoals hierboven aangeduid. Volgens NZa zou zich dit echter beperken tot patiënten onder behandeling van psychiaters en psychotherapeuten die destijds bezwaar hebben gemaakt tegen de tariefbeschikking van NZa van 20 december 2007. Op voorhand lijkt dit onredelijk want in strijd met het gelijkheidsbeginsel. KM
 

23 juli 2012: “Wassen neus”? Kritische beschouwing over beslissing van de Stichting KDVP om de opt-out regeling van NZa af te wijzen en tegen de Beslissing op Bezwaar in beroep te gaan 

Sinds kort bestaat een opt-out mogelijkheid ten aanzien van de vermelding van de diagnose op de (ggz-)declaratie en de verplichting om medische gegevens aan het DBC Informatiesysteem (DIS) van de overheid aan te leveren. Patiënten en behandelaars die niet willen dat hun privacy en beroepsgeheim worden doorbroken kunnen daar gebruik van maken. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft dit nieuwe recht in haar Beslissing op Bezwaar (BoB) op 7 juni 2012 bekendgemaakt.
 
De Stichting KDVP heeft de BoB echter afgewezen en is hiertegen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in beroep gegaan. KDVP stelt dat de geboden opt-out regeling ten aanzien van de vermelding van de diagnose op de declaratie "onvoldoende is uitgewerkt om effectief te verhinderen dat tot de diagnose herleidbare informatie wordt uitgewisseld in de declaratieprocedure". KDVP ontraadt dan ook toepassing van de regeling voor zover patiënten van vergoeding door hun ziektekostenverzekeraar gebruikmaken. KDVP meent dat de regeling slechts bij zelfbetalende patiënten een oplossing biedt.
 
KDVP geeft geen alternatief voor de opt-out regeling die zij afwijst. Dit zou impliceren dat bij opvolging van het advies van KDVP de reguliere DBC-declaratiesystematiek en de daarmee verbonden doorbreking van beroepsgeheim door de behandelaar en privacy van de patiënt voorlopig in stand zouden blijven. De patiënt en behandelaar zouden in dat geval geen gebruik maken van het nieuw verworven privacyrecht.
 
(Zie voor het standpunt van KDVP http://goo.gl/AXLAr. Zie voor deze BoB (met bijlagen) http://goo.gl/HUf6l. DeVrijePsych heeft over de BoB bericht onder http://goo.gl/O5OIC.)
 
De belangrijkste kritiekpunten van de KDVP op de BoB zijn als volgt:
 
1. KDVP verwijt NZa nalatigheid en stelt dat deze verzuimt "te voorzien in de noodzakelijke voorlichting over de invoering van een privacy opt-out regeling voor de GGZ".
 
Commentaar van DeVrijePsych:
NZa heeft haar BoB aan de appellanten (KDVP en DeVrijePsych) en verder betrokken partijen (Zorgverzekeraars Nederland, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten en psychologen NVVP, Nederlands Instituut van Psychologen NIP, GGZ Nederland, Landelijk Platform GGZ) toegestuurd en heeft deze, met haar nieuwe regelgeving, op haar website geplaatst. De regelgeving is tevens in de Staatscourant gepubliceerd.
 
Het is te betreuren dat niet of nauwelijks over de opt-out regeling, en de belangrijke privacyimplicaties ervan, in openbare media is geschreven. Voor zover tegenstander van de opt-out regeling hebben bovengenoemde organisaties hierover evenmin bericht. Veel (potentiële) patiënten en behandelaars zullen hierdoor nog niet van de nieuwe privacyrechten op de hoogte zijn. Dit is onwenselijk. NZa lijkt echter, conform artikel 20 van de Zorgverzekeringswet, aan haar informatieplicht voldaan te hebben.
 
2. KDVP stelt dat elke behandelaar verplicht zou zijn om op verzoek van de patiënt de opt-out regeling onvoorwaardelijk toe te passen. KDVP duidt niet aan waarop deze verplichting haars inziens berust.
 
Commentaar:
Van de opt-out regeling kan worden gebruik gemaakt wanneer patiënt en behandelaar dit beiden wensen. Bij verschil van mening kan de patiënt een andere, wat dit betreft welwillende, behandelaar kiezen, respectievelijk kan de behandelaar een patiënt behoudens noodgevallen afwijzen. Vooralsnog lijkt deze stelling van KDVP dan ook te absoluut. Het is met enige fantasie ook denkbaar dat een patiënt wenst dat geen gebruik van de opt-out regeling wordt gemaakt. Het lijkt onaannemelijk en onwenselijk dat de behandelaar in dat geval verplicht zou zijn de patiënt hierin te volgen en tegen zijn of haar wil het beroepsgeheim te doorbreken.
 
3. KDVP stelt dat de regeling "onvoldoende is uitgewerkt om effectief te verhinderen dat tot de diagnose herleidbare informatie wordt uitgewisseld in de declaratieprocedure". KDVP doelt op "coderingen en gedeclareerde bedragen" waardoor "alsnog de diagnose-informatie te herleiden" zou zijn. Evenmin zou volgens KDVP "uitwerking gegeven [zijn] aan de door de rechter gestelde voorwaarde dat gebruikmaking van de opt-out regeling geen negatieve financiële/contractuele consequenties mag hebben voor cliënt dan wel behandelaar". KDVP komt tot de slotsom dat de regeling voor zover het verzekerde zorg betreft neerkomt op een "wassen neus".
 
Commentaar:
Zoals blijkt uit de regelgeving Declaratiebepalingen DBC GGZ houdt NZa vast aan de DBC-declaratie- en registratiesystematiek. Artikel 6 somt verschillende verplichte gegevens en coderingen op de factuur op. Artikel 7 noemt de toegestane uitzonderingen.
 
KDVP specificeert niet welke gegevens en coderingen op de factuur, ondanks toepassing van de toegestane uitzonderingen, haars inziens toch zouden (kunnen) leiden tot kenbaarheid van de diagnose. Als gevolg hiervan kan niet worden beoordeeld of de afwijzing van de regeling door KDVP terecht is of niet.
 
Op het eerste gezicht lijken de toegestane uitzonderingen wel toereikend.
Immers, de DBC-prestatiecode, "voor zover betrekking hebbend op tot de diagnose herleidbare gegevens, blijft buiten toepassing", zo schrijft NZa. Ook voor de herkenbaarheid van de diagnose op grond van het rekeningbedrag heeft NZa (in 7.4) een oplossingsrichting gepresenteerd. "Cliënt en zorgaanbieder" zijn immers "gerechtigd om een tarief, niet hoger dan het geldende maximumtarief, te declareren zodanig dat dit afwijkende tarief niet herleidbaar is naar de diagnose", zo schrijft NZa. Ook: "De zorgverzekeraar is gehouden om binnen redelijke grenzen medewerking te verlenen aan de totstandkoming van zo'n betalingsprocedure".
 
Het is niet begrijpelijk waarom KDVP de regeling niet adequaat acht voor patiënten die hun rekening bij de zorgverzekeraar indienen maar wel voor zelfbetalende patiënten. Het verschil tussen beiden is dat eerstgenoemden een privacyverklaring moeten indienen, zie http://goo.gl/V3AEL, en laatstgenoemden dat niet hoeven.
 
Voor zover NZa terecht stelt dat bij toepassing van de uitzonderingen de diagnose niet meer uit de declaratie kenbaar is kan haar op het gebied van de privacy- en beroepsgeheimdoorbreking, in het licht van de rechterlijke uitspraken van het CBb, geen verwijt meer worden gemaakt. Een nieuwe rechtelijke procedure heeft waarschijnlijk alleen kans van slagen wanneer kan worden aangetoond dat à la lettre toepassing van de geboden opt-out regeling desondanks leidt tot kenbaarheid van de diagnose op de rekening.
 
De opt-out regeling is relatief recent. Ervaring met ziektekostenverzekeraars is nog niet voorhanden. Wanneer zich daarbij moeilijkheden voordoen ligt het op de weg deze in eerste instantie aan NZa voor te leggen. Bij structurele problemen ligt het voor de hand dat NZa haar regelgeving aanpast. Dit alles kan buiten een rechterlijke procedure worden geëntameerd.
 
De bekritiseerde BoB is wellicht onvolkomen maar NZa heeft in elk geval ten principale bepaald dat patiënten en behandelaars ervoor kunnen kiezen dat de diagnose niet uit de rekening kan worden afgeleid. Dit betekent een substantiële verbetering vergeleken met de situatie daarvoor. Bovendien heeft NZa bepaald dat geen opgave gedaan hoeft te worden aan het DBC Informatiesysteem DIS. Dit is geen "wassen neus", zoals KDVP stelt, maar een verworvenheid.
 
KDVP stelt dus dat haars inziens de regeling de privacy en vertrouwelijkheid niet zou beschermen maar meldt niet waarom. Ik heb het bestuur van KDVP gevraagd dit alsnog te doen. KDVP weigert echter de gevraagde toelichting te geven, met als argument "geen debat daarover dat langs de rechter heen gaat" te willen aangaan. KDVP onthoudt hierdoor aan patiënten, behandelaars en andere geïnteresseerden de mogelijkheid haar afwijzend standpunt ten aanzien van de opt-out regeling adequaat te beoordelen.
 
Concluderend moet worden vastgesteld dat vooralsnog geen reden bestaat om de opt-out regeling af te wijzen. In tegendeel, er zou meer bekendheid aan moeten worden gegeven. Ervaringen ermee zouden moeten worden opgedaan en uitgewisseld.
 
Vanuit DeVrijePsych,
Kaspar Mengelberg 23 juli 2012


11 juni 2012: Onder verwijzing naar het  bericht van 9 juni 2012, Nederlandse Zorgautoriteit schept opt-out mogelijkheid…(http://wp.me/p2aKuG-2K) , hieronder links naar de documenten zoals door NZa toegestuurd.
Nederlandse Zorgautoriteit, beslissing op bezwaar van 7 juni 2012, met bijlage 1: http://goo.gl/6kc5x
Nederlandse Zorgautoriteit, beslissing op bezwaar van 7 juni 2012, bijlage 2: http://goo.gl/aCxEU
Nederlandse Zorgautoriteit, beslissing op bezwaar van 7 juni 2012, bijlagen 3 en 4: http://goo.gl/igXdG. Op pagina 11 staat de ‘privacyverklaring’.


9 juni 2012:

Na jarenlange discussies en twee rechterlijke bodemprocedures heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) haar regelgeving aangepast aan de privacyeisen die haar door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zijn opgelegd. Het CBb oordeelde op 8 maart 2012 dat NZa een opt-out mogelijkheid moest creëren voor de verplichting de diagnose van patiënten op de rekening te vermelden (LJN: BV8297, 
http://goo.gl/wqR0M). Deze verplichting stuitte op grote bezwaren van patiënten en van behandelaars wegens doorbreking van de privacy en van het medisch beroepsgeheim. In haar beslissing van 7 juni 2012, die gisteren werd bekendgemaakt, voldoet NZa aan de eis van het CBb. Zie voor de beslissing van NZa: http://goo.gl/zwuof.   

Deze beslissing houdt het volgende in:
1. Patiënten in psychotherapeutische of psychiatrische behandeling kunnen ter bescherming van hun privacy diagnosevermelding op de declaratie afwijzen. Wanneer patiënten van hun ziektekostenverzekering gebruik willen maken stellen zij met de behandelaar een 'privacyverklaring' op en sturen deze naar de verzekeraar. Diagnosevermelding op de declaratie is dan niet langer verplicht. Wel kan de medisch adviseur van de ziektekostenverzekeraar onder medisch beroepsgeheim om inlichtingen vragen.
2. Bij zelfbetalende patiënten is diagnosevermelding op de rekening niet langer verplicht. Een privacyverklaring is niet nodig.
3. In deze twee gevallen is ook toezending van DBC-registraties aan het dbc informatiesysteem (DIS) niet langer verplicht.
(Zie pagina 9 tot en met 11 van de beslissing van NZa.)
 
De NZa heeft ook haar regelgeving aangepast:
Regeling nr/CU-520 Declaratiebepalingen DBC GGZ kent vanaf nu (in artikel 7 daarvan) 'uitzondering in geval van privacybezwaren'.
Regeling nr4/CU-519 Regeling verplichte aanlevering minimale dataset GGZ Zvw kent vanaf nu (in artikel 6) 'uitzonderingsbepaling'.

Door een opt-out mogelijkheid te creëren voor zowel de verplichting diagnostiek op de rekening kenbaar te maken als voor toezending van (gepseudonimiseerde) DBC-registraties aan het DIS van de overheid respecteert NZa de wens tot privacy van patiënten en de wens tot handhaving van het beroepsgeheim van behandelaars. Na jarenlange (rechts)strijd van psychiaters, psychotherapeuten en anderen, zowel vanuit DeVrijePsych (zie:
http://goo.gl/UyO9e) als vanuit de Stichting KDVP (zie: www.kdvp.nl), stemt dit tot tevredenheid. De patiënt heeft voor wat betreft zijn of haar privacy meer rechten dan voorheen. Hij of zij kan weer zelf bepalen of diagnostische gegevens aan de verzekeraars en de overheid worden doorgegeven.

Kaspar Mengelberg 9 juni 2012


30 mei 2012: Noot van Prof. mr. T.M. Schalken over de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 maart 2012 inzake psychiaters en psychotherapeuten versus de Nederlandse Zorgautoriteit, in Gezondheidszorg Jurisprudentie 2012/2 *
 
(gewijzigde tekst)
 
“… kern van het verwijt van het CBb aan de NZa: de technocratische miskenning van de grote gevoeligheid van bepaalde groepen burgers die geen vertrouwen hebben in de toezegging van de overheid dat digitale bestanden veilig en beschermd zijn…”.
 
***
College van Beroep voor het bedrijfsleven
8 maart 2012
LJN: BV8297
DBC-NZa
GJ 2012/57
 
NOOT:
 
1. Wie de moeite neemt om deze beslissing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) integraal te lezen, zal zich erover verbazen dat de NZa zich voor de tweede keer in een situatie heeft begeven waarin het vrijwel onontkoombaar was dat een rechterlijk beroepscollege een motie van afkeuring tegen haar zou indienen. Voor een hoge autoriteit als de NZa – een zelfstandig publiekrechtelijk bestuursorgaan met niet alleen toezichthoudende maar ook regulerende bevoegdheden in de zorgmarkt – is het verbazingwekkend dat zij zich andermaal – onder bewuste verantwoordelijkheid van de minister van VWS - door de rechter de les laat lezen.
Waar gaat het ook alweer over? De martelgang met betrekking tot de invoering van de DBC-declaratiecode in de markt van de zorgverzekeraars kent een lange en vaak bekritiseerde voorgeschiedenis (zie o.a. Blondeau/Hermans/Hendriks, Bestuursrechtelijk gezondheidsrecht, Deventer 2011, p. 61 v). Met name binnen de wereld van de geestelijke gezondheidszorg rees verzet tegen de DBC-systematiek, in het bijzonder omdat de vermelding van diagnose-informatie op de declaraties ten behoeve van zorgverzekeraars in strijd is met de vertrouwelijkheid van de therapeutische behandeling en dus met het medisch beroepsgeheim.
Een groep kritische psychiaters en psychotherapeuten – zie o.m. Hees/Mengelberg/Velthuys/Van der Zee (De Vrije Psych), Tijdschrift voor Psychotherapie 2006/2 - heeft zich dan ook vanaf het begin tegen de hen in 2007 opgelegde vermeldingsplicht verzet, eerst door bezwaar bij NZa aan te tekenen. Toen dat niet het gewenste resultaat opleverde, zijn zij tegen de ‘beslissing op bezwaar’ in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Die deed op 2 augustus 2010 uitspraak waarbij het in niet mis te verstane bewoordingen van zijn ongenoegen liet blijken over de eenzijdige en overhaaste beslissing die NZa op bezwaar had genomen. De voorbereiding was ‘onvolledig en onzorgvuldig’ geweest alsmede de ‘motivering ontoereikend’, onder meer omdat NZa geen relatie had gelegd met de bescherming van de privacy als grondrecht, zoals bedoeld in art. 8 EVRM dat mede het beroepsgeheim beoogt te beschermen.
De NZa werd in de gelegenheid gesteld – een privilege in het Nederlandse bestuursrecht – om de zaak opnieuw te bekijken en een nieuw besluit te nemen. De uitspraak van het CBb is gepubliceerd in <GJ> 2010/125 met commentaar van mijn hand, zodat alle argumenten op deze plaats niet opnieuw zullen worden besproken.
         2. De bedoeling was natuurlijk dat de NZa haar nieuwe besluit zou nemen met inachtneming van de door het CBb gemaakte kritische kanttekeningen. Daarvan was in de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 april 2011 weinig te merken. Weer werd tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het CBb dat opnieuw (zie de hierboven afgedrukte beslissing van 8 maart 2012) de NZa ernstig in gebreke stelde. Intussen was de omstreden vermeldingsplicht al voor de tweede maal tijdelijk voor de GGZ buiten werking gesteld.
         In een uitvoerige beschouwing bespreekt het CBb (nogmaals) alle argumenten, de oude en enkele nieuwe, fileert de bezwaren van de NZa, doet zelfs gedetailleerde suggesties om aan die bezwaren tegemoet te komen, en concludeert dat de NZa de eerdere uitspraak niet ‘op de juiste wijze’ (5.33) heeft uitgevoerd, niet alleen omdat de beleidsruimte voor haar beperkt was gelet op de duidelijke aanwijzingen in de vorige uitspraak (5.6), maar ook vanwege een ‘onjuiste uitleg’ (5.37) die zij aan die uitspraak heeft gegeven.
Die uitspraak hield een ‘onderzoeksopdracht’ aan de NZa in om naar ‘passende alternatieven’ te zoeken voor de bezwaren die tegen de diagnose-informatie op declaraties werden ingebracht (5.38). In plaats daarvan meende de NZa te kunnen volstaan met argumenten die weliswaar uitvoeriger, maar in wezen gelijk waren als bij de vorige beslissing (5.37), terwijl er geen ‘daadwerkelijke poging’ was ondernomen om met de betrokken partijen tot een bespreking van de door haar geformuleerde opties te komen (5.13).
3. Wel ‘preciseert en nuanceert’ het CBb op een enkel onderdeel zijn eerdere beslissing (5.17). In de vorige uitspraak had het College overwogen dat de diagnose-informatie op declaraties onder ogen komt van een ‘onbepaalde en mogelijk grote groep’ medewerkers van de zorgverzekeraar. Bij deze overweging, zegt het College nu, past de nuancering dat het gaat om een ‘onbepaalde, maar in beginsel beperkte groep medewerkers’, die bovendien – zij het niet via het medisch beroepsgeheim – aan een op andere wijze geregelde geheimhoudingsplicht is gebonden.
Zulks doet evenwel niet af aan ‘de kern van de bezwaren’, zegt het College. In een uitvoerige overweging (5.17 – 5.19) worden tot die bezwaren niet alleen gerekend risico’s voor de vertrouwelijkheid van de persoonlijke behandelrelatie, maar ook risico’s voor de vertrouwelijkheid bij de digitale opslag en verwerking van patiëntgegevens, hetgeen los gezien moet worden van een mogelijk gebrek aan vertrouwen in de werkwijze van bij de zorgverzekeraar werkzame medewerkers. Het risico dat digitale systemen met diagnose-informatie kunnen worden ingezien en misbruikt – een argument dat ook in de eerdere procedure onder de aandacht was gebracht - kan niet ‘zonder meer als onrealistisch’ of ‘getuigend van overdreven achterdocht’ terzijde worden geschoven. Dat risico, zegt het College, kan wel degelijk invloed hebben op de individuele behandeling en de uitoefening van de therapiepraktijk.
4. De eindconclusie was onvermijdelijk. De nieuwe beslissing op bezwaar van NZa met de daarbij aangeleverde onderbouwing voldeed niet aan het vereiste van een evenredige belangenafweging (art. 3:4 lid 2 Awb). De onderliggende regeling (de tariefbeschikking) werd onrechtmatig geoordeeld, omdat zij – zonder enige uitzonderingsmogelijkheid – in de feitelijke therapiepraktijk tot een niet noodzakelijke, onevenredige aantasting van de medische privacy kan leiden (5.16).
Bij zijn eerdere uitspraak volstond het CBb nog met vernietiging van de beslissing op bezwaar op grond van een motiveringsgebrek, waarmee strikt genomen nog geen finaal inhoudelijk oordeel over het besluit is uitgesproken. Nu vernietigde het College dit besluit vanwege een evenredigheidsgebrek, waarmee het wel een inhoudelijk oordeel in bestuursrechtelijke zin heeft geveld. Als gevolg daarvan heeft het College de tariefbeschikking gedeeltelijk herroepen en op een enkel punt (tijdelijk) zelf in de zaak voorzien waardoor de vermeldingsplicht bij zelfbetalende patiënten komt te vervallen en voor de declarerende patiënten wordt opgeschort (5.37 – 5.40).
Zelfs voor patiënten die, uit vrees voor het risico dat de informatie over de behandeling bij derden bekend zou raken, hun declaratie zelf betalen, dus niet bij de zorgverzekeraar indienen, maakte de NZa geen uitzondering, omdat daarmee een ‘algemeen consumentenbelang’ was gediend. Het CBb accepteerde dit argument natuurlijk niet. Hoe kunnen nu patiënten, die tegen diagnose-informatie op de declaratie bezwaar maken, bij vermelding toch belang hebben?
Doordat het CBb bepaalde onderdelen van de tariefbeschikking vernietigt krijgt de NZa toch weer een herkansing, de tweede zelfs. Dit hangt samen met de eigenaardige coulance die in het wetgevingssysteem is ingebouwd en doorgaans in de bestuursrechtspraak ten opzichte van bestuursorganen wordt betracht, omdat zij ‘bij uitstek de mogelijkheden en bevoegdheden’ (5.38) hebben om, met inachtneming van de rechterlijke uitspraak, een nieuwe regeling op te stellen. Maar waar houdt het magistratelijke geduld op?
5. Interessant is de vraag in hoeverre de minister van VWS bemoeienis met de door het CBb bekritiseerde gang van zaken heeft gehad. Want uitgerekend op het terrein van de tariefregulering kan bezwaarlijk van ministeriële terughoudendheid gesproken worden (zie daarover J.G. Sijmons in Stelsel onder stress, preadvies voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht, Sdu: Den Haag 2011, p. 72).
Van die terughoudendheid blijkt in elk geval weinig uit de beantwoording van Kamervragen door minister Schippers van VWS d.d. 30 mei 2011 naar aanleiding van de eerste uitspraak van het CBb. Weliswaar verwijst zij daarin regelmatig naar de te verwachten tweede uitspraak van het CBb, maar zij maakt wel duidelijk dat zij de verdere procedure ‘nauwlettend volgt’. Dat kan ook moeilijk anders, omdat de minister van VWS de Regeling Zorgverzekering (krachtens de Zvw) heeft vastgesteld die de prestatiebeschrijving op declaraties aan de zorgverzekeraar voorschrijft. Op die regeling baseert de NZa haar tariefbeschikking (waarvan het CBb zegt dat die regeling niet dwingt tot het voorschrijven van diagnose-informatie op de declaratie), terwijl de minister geen reden zag van haar bevoegdheid gebruik te maken om de tariefbeschikking van NZa te vernietigen (zie haar antwoord op Kamervragen sub 9).
6. De uitspraak van het CBb leest als een hoofdstuk uit een leerboek voor (semi-)overheidsorganen over de wijze waarop zij bezwaren van burgers moeten inschatten – ook als het een betrekkelijk kleine groep betreft en de meerderheid daar anders over denkt - en hoe zij hun belangen zorgvuldig en evenwichtig dienen af te wegen, zeker als het daarbij ook nog gaat om serieuze bezwaren die door professionals worden ingebracht.
         In die zin heeft de rechtspraak van het CBb een breder belang dan alleen met betrekking tot deze specifieke zaak. Het gaat hier niet slechts om de persoonlijke levenssfeer van burgers, die in psychische problemen zijn geraakt, maar ook om het algemene belang van burgers die bevreesd zijn dat hun persoonsgegevens in allerlei digitale bestanden terechtkomen waarvan zij geen weet hebben. Dat is de kern van het verwijt van het CBb aan de NZa: de technocratische miskenning van de grote gevoeligheid bij bepaalde groepen burgers die geen vertrouwen hebben in de toezegging van de overheid dat digitale bestanden veilig en beschermd zijn, terwijl niemand weet of, wanneer en door wie de digitale informatiesystemen, ook onderling weer gekoppeld, gebruikt of misbruikt worden.
Het zijn vooral die beschouwingen van het CBb daarover en over de relatie tussen de opvatting van de meerderheid en een minderheidsstandpunt binnen een bepaalde kring of beroepsgroep die extra imponeren.
 
Prof.mr. T.M. Schalken, emeritus-hoogleraar Vrije Universiteit Amsterdam
 
*** 
 
* Met vriendelijke toestemming van de auteur, waarvoor dank, hier overgenomen. Hieronder hyperlinks naar enkele in de Noot genoemde documenten.
 
 
 
 
Beantwoording van Kamervragen door minister Schippers van VWS d.d. 30 mei 2011: http://www.enrgin.nl/xdata/devrijepsych/Downloads/antwoorden%20kamervragen%20NZa-CBb%20(2).pdf
 
Voor het (vrijwel) complete proceduredossier wordt verder verwezen naar http://www.devrijepsych.nl/?pagina=Beroepsprocedure&id=264
 
Richard Hees, Kaspar Mengelberg, Wietse Velthuys, Sophie van der Zee (2006), Het gevaar van de diagnose-behandelcombinaties, Tijdschrift voor Psychotherapie 2006/2: http://www.devrijepsych.nl/?pagina=TvP&id=163
 
K.M. 30 mei 2012

23 mei 2012: 

Volgens de Volkskrant van 4 mei j.l. hebben "Zorgverzekeraars … geen idee welke psychische zorg zij vergoeden". Als gevolg daarvan zouden zij onterecht "miljoenen" hebben uitgekeerd. Verontrustend in financieel moeilijke tijden, zowel voor politiek als premiebetaler. "Privacy" zou de boosdoener zijn, want in verband daarmee "ziet de verzekeraar bij ggz-declaraties alleen een nummer van de zogenoemde diagnose behandelcombinatie (dbc)". Aldus de Volkskrant. De naam van de behandelaar zou niet worden gegeven, noch een beschrijving van de diagnose of de behandeling. Het systeem zou immers "grotendeels gebaseerd [zijn] op het vertrouwen dat de zorgaanbieder eerlijk declareert". Zie http://bit.ly/IVTkdp

Het artikel suggereert lang bestaande misstanden waar ziektekostenverzekeraars machteloos tegenover staan. De werkelijkheid is echter anders:

Verzekeraars hebben ruime bevoegdheden tot controle van behandelingen en behandelaars. De (gewijzigde) Regeling zorgverzekering van 30 juni 2010- https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2010-10581.html - stelt hen daartoe in staat. Uiteraard worden verzekeraars geïnformeerd over de identiteit van de (declarerende) behandelaar of behandelende instelling. Op grond van de dbc-systematiek moest tot voor kort ook de diagnose op de rekening worden vermeld. Deze diagnose kwam medewerkers van ziektekostenverzekeraars die niet aan een beroepsgeheim zijn gebonden onder ogen. Pas op 8 maart jl. maakte de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) aan deze privacy- en beroepsgeheim doorbrekende verplichting een einde. De hoogste bestuursrechter bepaalde, na zorgvuldige afweging van de belangen van patiënten, verzekeraars en behandelaars, dat patiënten die niet willen dat hun diagnose uit de rekening kenbaar is een opt-out mogelijkheid moeten krijgen. Zie voor deze uitspraak: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV8297.

De uitspraak van het CBb lijkt ziektekostenverzekeraars niet te bevallen. Zorgverzekeraars Nederland berichtte op 12 maart 2012 dat verzekeraars ten gevolge van de uitspraak niet langer zouden kunnen "sturen op doelmatigheid" en niet meer in staat zouden zijn "de nota te … controleren". Dat verzekeraars, ook zonder diagnose op de rekening, dit tot vier jaar geleden op verschillende manieren wel konden werd in dit bericht verzwegen.

Mogelijk heeft de Volkskrant zich laten verleiden tot deelname aan een misleidend propagandaoffensief van de zijde van verzekeraars, met als doel de politiek ertoe te brengen het rechterlijk oordeel zo snel als mogelijk te niet te doen. Dit in het verlengde van het verontrustende advies van het College voor Zorgverzekering van 6 april 2012  aan de minister om "wettelijk te regelen dat de declaratie een diagnosecode bevat". Tegen een wettelijke regeling kan niet worden geprocedeerd. Zie in dit verband http://devrijepsych.wordpress.com/2012/04/14/90/.

Er zijn grotere waarden dan de centen. Een daarvan is de waarde medische privacy en beroepsgeheim. Waarom? Omdat vele patiënten zonder garantie daarvan niet behandeld kunnen worden en een gebrek aan medische privacy de toegankelijkheid van de zorg belemmert. Een even grote waarde waar wij voorzichtig mee om moeten gaan is het principe van de rechtstaat. Waar blijven wij als burgers als een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, eventueel, gewoon ter zijde kan worden geschoven?

Kaspar Mengelberg 5 mei 2012
 

14 april 2012: Verontrustende signalen. Zal uitspraak van de rechter wederom worden genegeerd?

Een aantal signalen wijst er op dat de politiek-ambtelijke en private elites in de gezondheidszorg proberen om de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 maart 2012, die inhoudt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een opt-out mogelijkheid moet creëren voor de verplichting de diagnose op de rekening te vermelden, alsnog te omzeilen. En wel via veranderde wetgeving die NZa in staat stelt de uitspraken van het CBb ten tweede male te negeren.

1. Het College voor Zorgverzekeringen, een statelijke instelling, adviseert de minister op 6 april 2012 “wettelijke te regelen dat de declaratie een diagnosecode bevat.” Tegen een wettelijke regeling kan niet worden geprocedeerd.

2. Op 26 maart 2012 bericht minister Schippers de Tweede Kamer over door haar gewenste “aanpassing artikel 13 van de Zvw”. Deze wijziging van de Zorgverzekeringswet houdt in dat zorgverzekeraars niet meer, zoals nu, verplicht zullen zijn declaraties van niet-gecontracteerde zorgverleners te vergoeden (restitueren). Dit zal verzekeraars de mogelijkheid bieden om declaraties van psychiaters en psychotherapeuten die de privacywens van hun patiënten respecteren en hun beroepsgeheim handhaven niet te vergoeden. Namelijk door geen contractuele relatie met hen aan te gaan. Tegen een wettelijke regeling kan niet worden geprocedeerd.

3. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft op 12 maart 2012 bericht ten gevolge van de uitspraak van het CBb niet langer te kunnen “sturen op doelmatigheid” en niet meer in staat te zijn “de nota te kunnen controleren”.

Ik acht deze signalen hoogst verontrustend, mede in het licht van de door de Nationale Ombudsman Brenninkmeijer gesignaleerde tendens van de overheid onwelgevallige rechterlijke uitspraken als ‘misser’ of ‘dwaling’ te beschouwen. Tevens denk ik aan het boek Op drijfijs – Over het functioneren van de rechtsstaat (2010) van rechter Willem van Bennekom.

Kaspar Mengelberg 14 april 2012

[1] ZN schreef het onderstaande:
“Zonder declaratiecodes is curatieve GGZ niet te sturen op doelmatigheid
De curatieve GGZ hoeft bij zwaarwegende belangen van de patiënt geen declaratiecodes te vermelden op de factuur. Dat blijkt uit een uitspraak van het College voor Beroep Bedrijfsleven (CBB). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gaat onderzoeken onder welke voorwaarden ontheffing mogelijk is. Tot die tijd heeft de rechter de bestaande declaratieverplichting opgeschort. Zorgverzekeraars betreuren deze uitspraak. Zonder de declaratiecodes hebben zorgverzekeraars geen inzage in de geleverde zorg en kunnen zijn niet sturen op doelmatigheid.
De NZa heeft aangegeven dat de privacy van consumenten in de huidige regelgeving door tal van maatregelen voldoende beschermd is. Behandelaren in de GGZ vermelden namelijk slechts de hoofddiagnosegroep op de declaratie, bijvoorbeeld ‘angststoornis’. Individuele details van de behandeling kennen alleen de behandelaar en patiënt. Bovendien hebben zorgverzekeraars de privacybelangen van verzekerden in een nieuwe Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars gewaarborgd. Deze gedragscode is door het College Bescherming Persoonsgegevens goedgekeurd. De medewerkers die de declaraties verwerken, hebben een strikte geheimhoudingsplicht.
Desondanks oordeelde het CBB dat ook een mogelijkheid voor ontheffing moet worden uitgewerkt, in elk geval voor de patiënten die zwaarwegende bezwaren hebben tegen vermelding van diagnose informatie op de factuur. Ook heeft de rechter de bestaande declaratieverplichting opgeschort. Hierdoor ontbreekt het de zorgverzekeraar aan informatie om de nota te kunnen controleren.
Inzicht in geleverde zorg belangrijk
Het vermelden van een vorm van diagnose-informatie op de declaratie is belangrijk voor patiënten en consumenten, omdat alleen zo inzichtelijk is waarvoor een zorgaanbieder declareert. Zo weten patiënten en verzekeraars welke zorg zij voor welke prijs geleverd krijgen en kunnen zij dit controleren. Ook voor de overheid is het van belang om te kunnen controleren of de zorg terecht ten laste van de basisverzekering wordt gedeclareerd.
De NZa gaat zo snel mogelijk overleggen met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en vertegenwoordigers van patiënten over de mogelijkheid voor ontheffing en een tussenoplossing totdat een en ander definitief geregeld is”.
 
4 april 2012: Graag steun ik vanuit DeVrijePsych de onderstaande oproep van
DE GGZ LAAT ZICH HOREN. Ook wijs ik op het commentaar van onze zusterorganisatie en medeappellant, de Stichting KDVP, onder http://www.kdvp.nl/.
Kaspar Mengelberg 4 april 2012
 
Help mee de beroepsorganisaties wakker te schudden

Beste collega of anderszins geïnteresseerde,

Op 8 maart 2012 heeft de rechter een zeer
belangwekkende en verheugende uitspraak gedaan over het belang van privacy en beroepsgeheim in de GGZ. Opnieuw worden de collega's van de Stichting KDVP en van De Vrije Psych in het gelijk gesteld aangaande hun principiële bezwaren tegen verplichte aanlevering van behandelinformatie. Wij feliciteren hen van harte met deze overwinning. Een overwinning die grote impact heeft. Niet voor niets zijn er al kamervragen over gesteld. In deze mail proberen we je kort en bondig in te lichten over inhoud en gevolgen van de rechterlijke uitspraak en roepen we je op om de voor jou relevante beroepsorganisaties wakker te schudden. Je kunt dat doen door deze oproep te versturen. Dit is de kans om op te komen voor ons vak!


Hoe zat het ook al weer?
De essentie van de Diagnose Behandeling Combinaties (DBC's) is dat diagnose en financiering aan elkaar gekoppeld zijn. Het gevolg hiervan is dat alle zorgverleners die met DBC's werken, verplicht diagnostische informatie over hun cliënten aanleveren aan zorgverzekeraars. Daarnaast wordt deze privacygevoelige informatie opgeslagen in een landelijke database. Dit alles vindt plaats zonder toestemming van cliënt of hulpverlener. Sterker nog, het aanleveren van diagnostische informatie is verplicht gesteld voor alles en iedereen - zelfs voor zelfbetalende cliënten.

Eerste rechterlijke uitspraak genegeerd
De resulterende schending van privacy en beroepsgeheim was voor de Stichting KDVP - naast andere partijen - reden om naar de rechter te stappen. Bijna twee jaar geleden berichtten we over de
eerste rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). De rechter stelde destijds vast dat bij de behandeling van psychische klachten privacy en beroepsgeheim van zwaarwegend belang zijn. Omdat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) daar bij de ontwikkeling en invoering van de DBC's te weinig rekening mee had gehouden, werd de NZa verplicht om met betere argumenten en oplossingen te komen. Omdat de NZa deze rechterlijke uitspraak - met instemming van de minister - grotendeels heeft genegeerd, is de Stichting KDVP opnieuw naar de rechter gestapt. Op 8 maart jl. volgde de uitspraak. En deze keer gaat de rechter nog veel verder.

Hernieuwde rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen
De rechter is onomwonden van oordeel dat het verstrekken van diagnostische informatie over individuele patiënten inbreuk maakt op de medische privacy. De bezwaren verbonden aan een dergelijke uitwisseling van medische behandelinformatie worden zwaarwegend geacht zowel vanuit het perspectief van de patiënt, de behandeling en het beroepsgeheim van de behandelaar. Het ministerie van VWS en de NZa worden verplicht om binnen drie maanden een uitzonderingsregeling te formuleren die het voor patiënten én zorgverleners mogelijk maakt bezwaar te maken tegen het verstrekken van diagnostische informatie aan derden.

Nu komt het er op aan om druk te zetten!
Het oordeel van de rechter heeft betrekking op de gehele GGZ. Ook binnen de verzekerde zorg mag dus geen sprake zijn van een verplichte doorbreking van het beroepsgeheim. Zorgverleners en cliënten moeten vrijwillig en zonder dwang kunnen beslissen over het al dan niet aanleveren van diagnostische informatie - iets dat binnen het huidige DBC systeem onmogelijk is. In een eerste reactie heeft de NZa laten weten in overleg te willen treden met (beroeps-) organisaties over de uitwerking van een uitzonderingsregime, waarin cliënten buiten de privacyschendende DBC's om kunnen worden behandeld. Denk nu niet: dit levert nog meer bureaucratie op. Het zal eerder leiden tot afschaffing van het DBC systeem dan tot twee systemen naast elkaar. Dit is de kans om op te komen voor kernwaarden van ons vak. Want de uitspraak van de rechter mag duidelijk zijn, de volgende stap is om bij overheid en sectororganisaties aan te dringen op daadwerkelijke uitvoering ervan.

Wat kun je doen?
Allereerst kun je deze mail doorsturen naar zo veel mogelijk collega’s. Vervolgens kun je
hier een oproep versturen aan alle voor jou relevante beroepsorganisaties, als ook aan sectororganisaties zoals GGZ Nederland. Deze oproep is bedoeld om bij zoveel mogelijk "relevante veldpartijen" (terminologie NZa) aan te dringen op een snelle invoering van een adequate uitzonderingsregeling die recht doet aan de privacyrechten van patiënten en het beroepsgeheim van zorgverleners. Dat deze druk hard nodig is, blijkt onder meer uit de eerste - afhoudende - reactie van GGZ Nederland. Laten we onze vertegenwoordigers duidelijk maken dat ze niet om de rechter heen kunnen!

Meer informatie
Voor meer informatie kun je terecht op de site van de
Stichting KDVP.

Met vriendelijke groet,
 
Fred Leffers, Thijs Emons, Co Klaver en Alan Ralston
http://www.deggzlaatzichhoren.nl/ 


28 maart 2012: Enkele kritische opmerkingen van prof. Arnold Heertje over (o.m.) de heer mr. drs. T.W. Langejan, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit.

20 maart 2012: Renske Leijten (SP) stelt Kamervragen na uitspraak CBb.

Naar aanleiding van de tweede uitspraak (d.d. 8 maart 2012) van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in onze rechtsstrijd met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft mevrouw Renske Leijten (SP) op 20 maart 2012 Kamervragen gesteld. Leijten refereert aan de onjuiste interpretatie door NZa van de eerdere uitspraak (d.d. 2 augustus 2010) van het CBb, zoals door het CBb is vastgesteld.*
In dit licht bezien is de uitspraak niet alleen van betekenis voor de medische privacy op zich maar evenzeer voor het eventuele omzeilen door de overheid van rechterlijke uitspraken in het algemeen.

2012Z05594
Vragen van het lid Leijten (SP) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over een nieuwe gerechtelijke uitspraak tegen de verplichting voor psychiaters om diagnose-informatie op declaraties te vermelden (ingezonden 20 maart 2012)

1 Wat is uw reactie op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) die opnieuw de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) opdraagt een einde te maken aan het verplicht door behandelaren in de curatieve geestelijke gezondheidszorg vermelden van diagnosecodes op declaraties? Hoe is het mogelijk dat de NZa de eerdere, gelijkluidende uitspraak negeerde? Wilt u uw antwoord toelichten? (1)

2 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere schriftelijke vragen waarin u stelde dat de eerste uitspraak van het CBb inhield dat de NZa een nadere onderbouwing moest leveren van de noodzaak dat de diagnose-informatie bij verzekeraars onder ogen komt van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet onder het medisch tuchtrecht vallen? Deelt u de mening dat uit de jongste uitspraak van het CBb blijkt dat dit een onjuiste interpretatie van de eerdere uitspraak was, die immers de NZa niet opdroeg haar besluit beter te onderbouwen, maar met een inhoudelijk ander besluit te komen? Wilt u uw antwoord toelichten? (2)

3 Vindt u het aanvaardbaar dat vertrouwelijke medische informatie over burgers als gevolg van de DBC-systematiek onder ogen kan komen van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe garandeert u de medische privacy? Wilt u hierover uw politieke oordeel geven en geen formalistisch antwoord, zoals gegeven op eerdere schriftelijke vragen? (2)

4 Wat weegt voor u zwaarder: de wens van individuele burgers dat hun medische privacy wordt gerespecteerd of een verondersteld algemeen ‘consumentenbelang’ dat noodzaakt dat zorgverzekeraars diagnose-informatie onder ogen krijgen van hun verzekerden? Wilt u uw antwoord toelichten en hierin ook ingaan op het oordeel van het CBb onder 5.36? (1)

5 Deelt u de mening dat het van bovenaf bepalen wat in iemand ‘consumentenbelang’ is, beschouwd moet worden als een vorm van betutteling? Zo nee, waarom niet?

6 Indien de NZa opnieuw de uitspraak van de rechter naast zich zou neerleggen, bent u dan bereid in te grijpen? Zo nee, waarom niet, gelet op uw bevoegdheid om NZa-beschikkingen te vernietigen? (3)

7 Herinnert u zich uw antwoord op eerdere schriftelijke vragen waarin u stelde dat slechts een beperkt aantal gebruikers een bestand krijgt met de DIS-gegevens van een individuele zorgaanbieder, namelijk de NZa, CBS, DBC Onderhoud, CVZ en VWS ‘en mogelijk ook de brancheorganisaties’? Hoeveel personen betreft het, die toegang tot deze gegevens hebben en hoeveel van deze personen vallen onder het medisch beroepsgeheim en het medisch tuchtrecht?
(2)  Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, Aanhangsel van de Handelingen 1104
(3)  Aangenomen amendement 31950-18

Tot zover de Kamervragen.

* Opmerking vanuit DeVrijePsych: 
Inzake de onjuiste interpretatie door NZa van de eerdere uitspraak van het CBb oordeelt het CBb in zijn recente uitspraak als volgt:
“Uit het voorgaande volgt dat de hiervoor onder 5.3 geformuleerde vraag of verweerster in haar nieuwe beslissing op bezwaar op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van het College, ontkennend moet worden beantwoord” (5.33). Ook: “De conclusie uit het voorgaande is dat verweerster, mede op grond van een onjuiste uitleg van overwegingen in de eerdere uitspraak, in haar nieuw genomen besluit haar belangenafweging heeft voltrokken op basis van overwegingen en argumenten die weliswaar uitvoeriger zijn, maar in wezen gelijk aan die in de eerdere beslissing op bezwaar. Deze laatste overwegingen en argumenten waren door het College als onvoldoende draagkrachtig beoordeeld in de eerdere uitspraak ….” (5.37).
Ook de ministeriële antwoorden op eerdere Kamervragen van mevrouw Leijten, zie hier en hier, komen door de recente uitspraak van het CBb in nieuw licht te staan.

Kaspar Mengelberg 20 maart 2012
 

8 maart 2012:
Rechter bevestigt belang van medische privacy.
 
Beslissing van Nederlandse Zorgautoriteit ten tweede male door het College van Beroep voor het bedrijfsleven vernietigd.
 
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft vandaag, 8 maart 2012, uitspraak gedaan in het beroep vanuit DeVrijePsych (K. Mengelberg en G.R. van den Berg, psychiaters) en van de Stichting KDVP tegen de Beslissing op Bezwaar van de Nederlandse Zorgautoriteit d.d. 8 april 2011. De uitspraak (LJN: BV8297) is te vinden onder www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BV8297.
 
Een eerste lezing van de uitspraak leidt tot de conclusie dat het CBb ons opnieuw grotendeels in het gelijk heeft gesteld. Het CBb stelt vast dat NZa in haar tweede Beslissing op Bezwaar niet heeft voldaan aan de daaraan door het CBb bij eerdere uitspraak gestelde eisen, en vernietigt deze Beslissing op Bezwaar.
 
In onomwonden woorden verwerpt het CBb de verplichting die NZa aan behandelaars oplegt om bij elke patiënt, ook wanneer deze dit niet wenst, de diagnose op de rekening te vermelden. Het CBb bepaalt dat NZa uitzonderingsmogelijkheden op die verplichting moet creëren. De NZa dient binnen drie maanden een nieuwe Beslissing op Bezwaar te nemen, met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
 
Wat zelfbetalende patiënten betreft acht het CBb "termen aanwezig om zelf in de zaak te voorzien". Het CBb bepaalt (in 5.40) "dat meerbedoelde verplichting – met inbegrip van de verplichting tot het vermelden van andere gegevens op de declaratie, voorzover daaruit de diagnose van de patiënt kan worden afgeleid – komt te vervallen".
 
Helaas heeft het CBb opnieuw om formeel-juridische reden geen uitspraak kunnen doen over de door ons bestreden verplichting om DBC-registraties aan de overheid (DIS) aan te leveren.
 
Het Dictum luidt als volgt:
"6. De beslissing
Het College
(2) verklaart het beroep van appellanten sub 2 en sub 3 gegrond;
(3) vernietigt de bestreden besluiten 8 april 2011, voor zover daarbij is gehandhaafd de bij de tariefbeschikking van 20 december 2007 in werking gestelde verplichting tot het vermelden op de declaratie van GGZ-zorgverleners van gegevens, welke zijn te herleiden tot een door de betrokken zorgverlener met betrekking tot de betrokken patiënt gestelde diagnose;
(4) herroept de tariefbeschikking van 20 december 2007, voor zover deze, ook voor de daarna volgende tariefbeschikkingen, de onder (3) vermelde verplichting in werking heeft gesteld voor de gevallen waarin door een zorgverlener aan een patiënt een declaratie rechtstreeks wordt overhandigd of per post wordt toegestuurd, een en ander voor zover de patiënt aan de zorgverlener te kennen heeft gegeven dat de rekening voor de behandeling niet bij een zorgverzekeraar zal worden gedeclareerd en dat hij of zij om redenen van privacy vermelding van diagnose-informatie op de aan hem of haar te overhandigen declaratie niet wenst;
(5) gelast dat verweerster, met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw beslist op de bezwaren van appellanten sub 2 en 3 tegen de onder (3) verplichting met betrekking tot voor de zorgverzekeraar bestemde declaraties;
(6) treft de voorlopige voorziening dat voor appellanten sub 2 en 3, voor zover zij handelen als vrijgevestigde psychiater of psychotherapeut, de uit de tariefbeschikking van 20 december 2007 voortvloeiende verplichting om de in artikel 6.6. van de Regeling declaratiebepalingen DBC GGZ bedoelde diagnose-informatie, dan wel andere in de prestatieomschrijving of in het declaratiebedrag tot diagnose-informatie te herleiden gegevens op declaraties te vermelden en aan zorgverzekeraars te verstrekken, wordt geschorst tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit op bezwaar;
(7) verstaat dat verweerster aan appellanten sub 2, onderscheidenlijk sub 3 het door hen betaalde griffierecht van € 302,-- (zegge: driehonderdentwee euro), onderscheidenlijk € 152,-- (zegge: honderdentweeënvijftig euro) aan hen vergoedt;
(8) wijst af het anders of meer gevorderde.".
 
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in haar uitspraak groot belang gehecht aan de medische informationele privacy van patiënten en het beroepsgeheim van hun behandelaars. Dit is een goede zaak.
 
(Leessuggestie: hoofdstuk 4 (Het standpunt van appellanten, vanaf 4.2), en hoofdstuk 5 (De beoordeling van het geschil, vanaf 5.2).)
 
Kaspar Mengelberg 8 maart 2012
 

1 maart 2012: Het Parool: "Schendingen van het medisch beroepsgeheim leiden de laatste weken tot veel verontwaardiging. Medisch specialisten en psychotherapeuten schenden dit echter al jaren structureel". … "


26 februari 2012: 
Onterechte discrepantie inzake doorbreking van het medisch beroepsgeheim.
Waarom wekt de DBC-systematiek nauwelijks beroering?

De Raad van Bestuur van het VU medisch centrum (VUmc) heeft medewerkers van het audiovisueel productiebedrijf Eyeworks gedurende twee weken via vaste camera's en microfoons op zijn Spoedeisende Hulp bij patiëntencontacten laten meekijken en meeluisteren. Aan patiënten werd pas toestemming voor het maken van opnames gevraagd nadat dit meekijken en meeluisteren al had plaatsgevonden.
 
Dit impliceert doorbreking van het medisch beroepsgeheim zonder dat de patiënten daar toestemming voor hadden gegeven. Dus is, conform artikel 457 van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), sprake van –verboden- schending van het medisch beroepsgeheim. De omstandigheid dat medewerkers van Eyeworks geheimhouding zouden hebben beloofd doet hieraan niet af. Ook in dat geval was toestemming van de patiënten tot hun meekijken en meeluisteren vereist.
 
Het nieuwsprogramma Nieuwsuur heeft tot nu toe drie uitzendingen aan deze zaak gewijd. In de eerste twee verdedigen functionarissen van VUmc hun handelwijze. Het valt op dat zij deze steen des aanstoots, het ongeoorloofde meekijken en meeluisteren, ontwijken door te benadrukken dat voor het maken van opnames wel toestemming is gevraagd.
 
Verwezen wordt naar Nieuwsuur 22 februari 2012: http://nieuwsuur.nl/uitzending/2012-02-22/ en Nieuwsuur 23 februari 2012: http://nos.nl/l/tcm:5-1198639/. In Nieuwsuur van 25 februari 2012, http://nieuwsuur.nl/uitzending/2012-02-25/ (vanaf 8:00), wordt gemeld dat advocaat Peter Plasman namens drie patiënten zowel tegen VUmc als tegen Eyeworks een strafrechtelijke aanklacht zal indienen wegens opzettelijke schending van het beroepsgeheim respectievelijk het daaraan medeplichtig zijn en het heimelijk maken van opnamen.

Hiernaast ligt ook het indienen van klachten bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg voor de hand. Alle bezoekers van de Spoedeisende Hulp in de periode van 20 januari tot van 6 februari 2012, meer dan duizend in getal, zouden kunnen klagen wegens schending van het beroepsgeheim, i.c. het ongeoorloofd doen meekijken en meeluisteren door derden bij consulten.
 
Niet alleen de leden-medici van de Raad van Bestuur lijken als eindverantwoordelijken klachtwaardig te hebben gehandeld. Ook BIG-geregistreerde medewerkers op de werkvloer, dus de hoofden daarvan, de specialisten, de artsen in opleiding voor specialist en de verpleegkundigen, lijken als medeweters hun beroepsgeheim te hebben geschonden voor zover zij patiënten niet direct hebben verteld dat meekijkers en meeluisteraars via apparatuur bij de consulten aanwezig waren.
 
Het Tuchtcollege kan streng zijn. Onlangs waarschuwde het een (BIG-geregistreerde) psychotherapeut omdat deze zonder toestemming van klager gegevens aan de verwijzende huisarts van klager had doorgegeven, zie LJN YG1457, http://tuchtrecht.overheid.nl/uitspraak/2011/pdf/YG1457.

Bij dit alles valt op dat deze casus als ook de vermeende schending of doorbreking van het beroepsgeheim betreffende Prins Friso grote beroering in de media en in de openbare mening hebben veroorzaakt, terwijl dit bij de door de staat verplicht gestelde doorbreking van het beroepsgeheim in het kader van de Diagnose Behandel Combinatie (DBC)-systematiek niet of nauwelijks het geval was en is. Alle medische specialisten en psychotherapeuten moeten immers conform de regelgeving van de Nederlandse Zorgautoriteit diagnostische gegevens van al hun patiënten, voorzien van een uniek en omkeerbaar pseudoniem, aan de staat doorgeven, en bovendien een diagnostische aanduiding op al hun declaraties vermelden en dus buiten het beroepsgeheim brengen. Zie hiervoor de website www.devrijepsych.nl*.

Waarschijnlijk wordt deze onterechte discrepantie veroorzaakt doordat media en publiek zich in de eerste twee gevallen een duidelijke voorstelling van de gang van zake hebben kunnen maken, terwijl de doorbreking van het beroepsgeheim in het kader van de DBC-systematiek verhuld blijft achter gecompliceerde ambtelijk-juridische regelgeving en IT-procedures. Maar daarmee niet minder ernstig is. Integendeel. 

Kaspar Mengelberg 26 februari 2012
 
* 1. DBC’s in duizend woorden door Ronald van den Berg, op de openingspagina van www.devrijepsych.nl.
2. Privacy bij de psychiater (2011) door Kaspar Mengelberg, MGv, http://www.enrgin.nl/xdata/devrijepsych/Downloads/art%20Mengelberg%20MGv%202011%20april%20(2).pdf.
4. Beroepschrift bij College van Beroep voor het bedrijfsleven (juli 2011) van G.R. van den Berg en K. Mengelberg en daarbij behorend addendum, http://www.enrgin.nl/xdata/devrijepsych/Downloads/Beroepschrift%20CBb%20juli%202011.pdf, en http://www.enrgin.nl/xdata/devrijepsych/Downloads/Addendum%20bij%20hoofdstuk%204%20van%20het%20beroepschrift.pdf.


14 januari 2012: 
Mr Inez Weski is vandaag door de JOVD uitgeroepen tot Liberaal van het Jaar vanwege haar opkomen tegen "tegen de steeds dieper zinkende knechting van de mens", zoals zij het uitdrukt. Zie http://www.jovd.nl/nieuws/616/Inez-Weski-Liberaal-van-het-Jaar.html.
 
Inez N. Weski hield op 5 mei 2011 op uitnodiging van het 4 & 5 mei Comité Amsterdam de Vrijheidslezing. Zij zei:
 
"… We krijgen tegenwoordig dagvers een volgend deel uit het feuilleton van megalomane vrijheidsbeperking. … Tot zelfs inkijkjes of gewoon verkrachting van de menselijke geest door psychiaters te verplichten om op hun rekening de diagnose van hun patiënt te zetten en alle patiëntgegevens aan te leveren aan de overheid.
Inderdaad, who needs geheimhouders? Dat miste natuurlijk nog in de databanken. We hebben alle biologische gegevens? Check. We weten wat ze eten? Check, we weten wat ze lezen? Check! Waar ze naar toe gaan met wie, hoe laat en waarom? Check. Nou dan missen we nog de categorie psychische makkes. OK, regel even dat dat verplicht gemeld wordt aan het centraal gezag! Check!
Want al die gegevens zullen toch nooit aan de verkeerde ter beschikking worden gesteld? Alle overheden hebben toch altijd het beste met u voor? Heeft u dat nog niet geleerd van de geschiedenis? …"