Nederland kent meerdere staatsorganen die de gezondheidszorg, al dan niet exclusief, tot hun terrein rekenen. Hieronder twee bijdragen, over het College van procureurs-generaal en over de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
* * *
Misslagen van staatsorganen
In Medisch Contact van 13 januari 2006 staat een interview met de voorzitter van het College van procureurs-generaal, Mr Harm Brouwer. Aanleiding is de publicatie van de richtlijn palliatieve sedatie door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Geneeskunst (KNMG).
Ook de NRC van 29 december 2005 bevat twee verhandelingen met Brouwer als middelpunt.
Brouwer komt in het interview terug op de zaak-Vencken.
Ter herinnering: Peter Vencken, anesthesioloog in opleiding en destijds 32 jaar, gaf in 2003 tijdens een weekenddienst in een ziekenhuis aan een onrustige stervende patiënt sedatie, te weten 20 mg morfine en 5 mg Dormicum. Geen dodelijke doseringen. Gebruikelijk en zeer eerzaam medisch handelen, zo oud als de geneeskunde. In mijn huisartsentijd heb ik enkele malen hetzelfde mogen doen. De familie van de overleden patiënt had niets dan lof over de handelwijze van Vencken.
Enkele dagen later meldde Peter Vencken zich, desgevraagd, bij de politie. Volkomen onverwacht werd hij na bemoeienis van het Openbaar Ministerie (OM) en Rechter-Commissaris onder beschuldiging van moord gedurende negen dagen in de cel geworpen.
Hij werd zowel door de Rechtbank als door het Hof vrijgesproken en van alle (strafrechterlijke) blaam gezuiverd. Het Hof deed twee uur na de zitting uitspraak en liet geen spaan heel van het door het OM ingestelde hoger beroep.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) diende over Vencken een klacht bij het Tuchtcollege voor de gezondheidszorg in, dat geen reden zag een sanctie op te leggen. Hoger beroep, door de IGZ tegen deze uitspraak aangetekend, loopt nog.
Peter Vencken heeft gedurende twee jaar de ongehoord zware psychische last van beschuldiging van moord, en de daarmee verbonden politiële en juridische rituelen, moeten verdragen. Hij heeft zijn opleiding onderbroken en die inmiddels gelukkig weer hervat. Hij heeft waarschijnlijk zeer hoge advocatenkosten moeten betalen.
De zaak-Vencken heeft onder artsen grote onrust gezaaid. Velen wilden (en willen) uit angst voor vervolging aan stervenden geen sedatie meer geven. Een onbekend aantal individuen is hierdoor onnodig een onrustige, angstige, benauwde en pijnlijke dood gestorven. Een misstand die voortduurt. En dit is ernstig, zeer ernstig. Het College van procureurs-generaal, justitieel machtsorgaan van de staat bij uitstek, besloot tot vervolging van Peter Vencken (zo zegt Brouwer) en regisseerde deze misstand. Zijn opsluiting was niet het gevolg van oververhitting van een provinciale Officier van Justitie zoals men aanvankelijk kon denken. Justitieminister Donner draagt medeverantwoordelijkheid: aan hem worden door Brouwer alle gevallen van vervolging gemeld. De IGZ draagt ook medeverantwoordelijkheid. Het is ondenkbaar dat niet in zeer vroeg stadium overleg heeft plaatsgevonden tussen OM en IGZ; laatstgenoemde had op het hoogste niveau moeten en waarschijnlijk kunnen bewerkstellingen dat collega Vencken onmiddellijk uit de cel bevrijd werd.
Wanneer men Brouwer's commentaar achteraf op de zaak-Vencken leest gelooft men zijn ogen niet.
Het OM heeft zowel bij de Rechtbank als bij het Hof zijn zaak tegen Vencken verloren.
Brouwer stelt "vraagtekens" bij de gevolgde procedure en vraagt zich ook af of het opsluiten van Vencken "verstandig" was, maar is (desgevraagd) naar aanleiding van zijn zelfbevraging "niet aan een conclusie toe". Van een "zorgvuldige beslissing" was volgens Brouwer namelijk wel degelijk sprake. Sterker: "... artsen moeten wel weten dat wij binnen het Openbaar Ministerie uiterst zorgvuldig naar deze zaken kijken."
Brouwer meent dat er "hoogstwaarschijnlijk geen vervolging" van Vencken zou hebben plaatsgevonden wanneer de KNMG-richtlijnen destijds hadden bestaan.
Over zichzelf en zijn collegae deelt hij mee "dus niet een stelletje onkundige lieden die als olifanten door de porseleinkast heen banjeren" te zijn. Nee, de "stemmingmakerij in de zaak-Vencken" doet "geen recht aan hoe wij in deze kwesties handelen."
De angst onder artsen noemt hij "een beetje een vluchtargument". "Waarom zouden ze bang moeten zijn?" vraagt hij zich af. Pardon, meneer Brouwer?
Excuses aan Vencken vindt hij onnodig. "Ik vind niet dat we naar een situatie toe moeten waarin we bij ieder geval waarin vrijspraak volgt, je maar even je excuses gaat aanbieden" (NRC 29 december 2005).
De handelwijze van het College van procureurs-generaal in de zaak tegen Peter Vencken is als laf te kwalificeren. Men kiest als vervolgingsobject een jonge en relatief onervaren collega uit, die hierdoor aan het begin van zijn loopbaan in ernstige moeilijkheden komt, die niet over ruime middelen beschikt en wiens carrière gekraakt kon worden.
Waarschijnlijk is de heer Brouwer ook onoprecht. Ik kan moeilijk geloven dat hij de "vraagtekens" die hij plaatst niet kan beantwoorden.
Naar alle waarschijnlijkheid heeft ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg een maligne rol in deze zaak gespeeld. Het lijkt ondenkbaar dat Kingma c.s. niet van de vervolging en de opsluiting hebben geweten. De IGZ zou de schade die zij heeft aangericht kunnen beperken door haar beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in te trekken, door haar beleid ter zake uitvoerig en openbaar uiteen te zetten, en door het aanbieden van haar excuses collega Peter Vencken publiekelijk te rehabiliteren en ook van tuchtrechterlijk blaam te zuiveren. Het zou tevens wenselijk zijn wanneer het OM zorgvuldig, uitvoerig en volledig verantwoording zou afleggen over de details van het door haar in deze zaak gevoerde beleid, zoals eerder door Crul en Legemaate in Medisch Contact is bepleit (nr. 34- 26 augustus 2005). Dit zou misschien de basis kunnen vormen voor een effectieve, immers geïnformeerde geruststelling van de Nederlandse artsen en het Nederlandse volk. De heer Brouwer zou inzake zijn hierboven aangeduide zelfbevraging verzocht kunnen worden alsnog tot een conclusie te komen, en deze te openbaren. Het gepubliceerde interview met Brouwer informeert nauwelijks en stelt niet gerust.
Uiteraard verdient Peter Vencken wel degelijk excuses van het OM. Sterker, hij verdient een ruime schadevergoeding. Prof. dr. F. Veringa, emeritus hoogleraar geneeskunde Rijksuniversiteit Groningen, noemt in zijn ingezonden brief over de zaak ook een bedrag: "zo'n miljoen Euro" (30 juli 2005).
Peter Vencken verdient onze volledige steun.
"Waarom zouden ze bang moeten zijn?" vraagt de voorzitter van het College van procureurs-generaal zich over artsen af. Ik zal het hem vertellen. Omdat mensen zoals hij leiding aan het Openbaar Ministerie geven. Zijn waarschijnlijk geruststellend bedoelde interview is in hoge mate verontrustend. Er is alle reden om herhaling van ernstige misslagen (en achteraf goedpraten daarvan) door twee hoge staatsorganen, te weten het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg, te vrezen.
Kaspar Mengelberg 21 januari 2006
* * *
Staatstoezicht
Op de Gezondheidszorg in Nederland wordt toezicht gehouden door een staatsorgaan, de Inspectie voor de Gezondheidszorg-Staatstoezicht op de Volksgezondheid (IGZ, http://www.igz.nl/).
Laten wij nader kijken naar het recente functioneren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze staat onder leiding van Inspecteur-Generaal Prof. Dr. H. Kingma, cardioloog (niet praktiserend) en voormalig voorzitter van de Orde van Medische Specialisten. De IGZ doet ongetwijfeld ook nuttig werk. Toch heeft zij meerdere scheve schaatsen gereden.
1. In hun artikel in NRC-Handelsblad van 11 juli 2003 klagen de Inspecteur-Generaal en de Hoofdinspecteur voor de Geestelijke Gezondheidszorg van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over "publieke uitlatingen van artsen, ook over publieke personen". Zij kondigen aan dat "de inspectie (...) bij herhaling van dergelijk handelen van beroepsbeoefenaren ernstig (zal) overwegen om een tuchtrechtelijke procedure te starten. De IGZ noemt dergelijk optreden "onprofessioneel en laakbaar".
De Inspectie doelt hier niet op schending van het beroepsgeheim. Het betreft observaties door artsen van gegevens uit openbare bronnen.
Commentaar: In Nederland bestaat vrijheid van meningsuiting. Iedereen mag van alles over een ander zeggen of schrijven, enkele uitzonderingen daargelaten. Artsen mogen dit kennelijk volgens de Inspectie niet. Het standpunt van de Inspectie is intimiderend tegenover artsen, en beperkt ten onrechte de vrijheid van meningsuiting waarop ook zij recht hebben.
2. In februari 2004 publiceerde de IGZ een uitvoerig rapport van 102 pagina's over de ziektegeschiedenis van de bekende actrice S. M., onder de titel "Zorgverlening aan S.M. Een voorbeeldcasus". Dit rapport staat op de website van de IGZ.
Zie: http://www.igz.nl/bestanden/Rapport%20S.M.%20definitief%2017%20februari%202004.pdf
Commentaar: Wijlen mevrouw M. Is makkelijk herkenbaar. Zij en haar nabestaanden gaven voor publicatie geen toestemming. Geheimhoudingsplicht wordt door overlijden niet opgeheven. De Inspectie lijkt zich schuldig te hebben gemaakt aan een onbegrijpelijke en grove schending van haar geheimhoudingsplicht. De IGZ heeft hier de grenzen van de vrijheid van meningsuiting, die zij bij artsen ten onrechte tracht te beperken, ver overschreden.
3. De IGZ diende bij het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam een klacht in over collega Bram Bakker, psychiater. Bakker had met een patiënte een horecagelegenheid bezocht om haar aan een vriend voor te stellen. Aan een andere patiënte had hij het emailadres van een vriend verstrekt. Bakker kreeg een waarschuwing. De twee patiënten dienden zelf geen klacht in. Het is onbekend of de IGZ hen hoorde.
Zie http://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/regionaal-files/amsterdam nummer 04036
Commentaar: Vele honderden verspilde uren moeten met deze klacht gemoeid zijn geweest. Inzake de eerste klacht is Bakker wellicht onhandig geweest; hij heeft dit ook toegegeven. Inzake de tweede klacht, het verstrekken van een emailadres, blijft de vraag wat hieraan verwijtbaar is. De klachten betreffen onbenulligheden. Bakker past wellicht wat ongebruikelijke behandelingswijzen toe die daarom allerminst slecht hoeven te zijn. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat de IGZ klaagde om Bakker, en daarmee alle psychiaters en psychotherapeuten, in een braaf keurslijf te dringen en in te schuchteren.
4. Het optreden van Kingma c.s. lijkt in de zaak van de arts-anesthesist in opleiding Peter Vencken (32) maligne trekken te vertonen.
Deze jonge arts gaf in 2003 aan een onrustige stervende patiënt sedatie, te weten 20 mg morfine en 5 mg Dormicum. Geen dodelijke doseringen. Gebruikelijk medisch handelen, zo oud als de geneeskunde. De familie van de overleden patiënt had niets dan lof over de handelwijze van Vencken.
Enkele dagen later meldde hij zich, desgevraagd, bij de politie. Volkomen onverwacht werd hij na bemoeienis van het Openbaar Ministerie (OM) en Rechter-Commissaris onder beschuldiging van moord gedurende negen dagen in de cel geworpen. Hij werd zowel door de Rechtbank als (recent) door het Hof vrijgesproken en van alle blaam gezuiverd.
De IGZ diende over Vencken een klacht bij het Tuchtcollege voor de gezondheidszorg in, dat geen reden zag een sanctie op te leggen. Hoger beroep, door de IGZ tegen deze uitspraak aangetekend, loopt nog.
Commentaar: Het is vrijwel ondenkbaar dat tussen OM die gevangenhouding gelastte en de IGZ op beslissende momenten geen overleg heeft plaatsgevonden. Het is dus hoogst waarschijnlijk dat de IGZ mede verantwoordelijk is voor het gevangen zetten van een arts die gewoon en in het ziekenhuis zijn werk en plicht deed. Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat sprake was geweest van een impulsieve beslissing van een oververhitte Officier van Justitie had op de IGZ de plicht gelegen Vencken ten spoedigste uit zijn netelige positie te doen bevrijden. Er bestaan geen aanwijzingen dat de Kingma c.s. pogingen in die richting hebben ondernomen. Dit is ernstig. Recente berichten laten zien dat veel artsen terughoudend zijn geworden bij het geven van kalmerende middelen aan stervenden. Dit is zeer ernstig. Stervenden en hun naasten hebben nu onnodig lijden te danken aan de IGZ. Dit is onverteerbaar.
5. De kwaliteit in de zin van toegankelijkheid van een vorm van geneeskundige zorg, namelijk psychotherapie, is ernstig aangetast. In 2004 werd het recht op 90 zittingen gereduceerd tot recht op 25 zittingen (in speciale gevallen op 50 zittingen).
De IGZ heeft, voor zover bekend, hierover geen kritisch signaal afgegeven. De IGZ plaatst evenmin kritische kanttekeningen bij de gevaren van toepassing van ICT in de gezondheidszorg, met name mogelijke schending van vertrouwelijkheid tussen arts en patiënt. In tegendeel, Kingma meent ten onrechte dat de gezondheidszorg op het niveau van de "Middeleeuwen" functioneert omdat ICT-ontwikkelingen in de zorg hem niet snel genoeg gaan.
6. De Nederlandse verpleeghuiszorg vertoont zeer ernstige kwalitatieve tekorten. Zo is bekend geworden dat 30% van de verpleegden uitgedroogd en ondervoed is. Dit is een nationaal schandaal.
De IGZ heeft hierover verschillende rapporten geschreven. De IGZ is ook wel opgetreden maar haar activiteiten lijken, gezien de ernst van de situatie, toch weinig doortastend. Kingma had moeten zorgen dat aan deze ten hemel schreiende toestand op de kortst mogelijke termijn radicaal een einde werd gemaakt. Hij had desnoods artsen in opleiding voor specialist kunnen inhuren en hen de opdracht kunnen geven alle verpleeghuis patiënten te onderzoeken en te zorgen dat aan de uitdroging en ondervoeding een einde komt. Zijn optreden lijkt slap te zijn.
Samenvattend lijkt de Inspectie voor de Gezondheidszorg-Staatstoezicht op de Volksgezondheid deels van muggen (kwaadaardige) olifanten te maken, anderzijds een werkelijk probleem te bagatelliseren.
Het optreden van de IGZ lijkt te worden gekenmerkt door een onkritische stellingname tegenover (organen van) de overheid. De IGZ lijkt onderdeel te zijn van de context waarin de gezondheidszorg gevangen is: de toegenomen en toenemende machtsontplooiing van overheids- en verzekeringsbureaucraten, ten koste van de zelfstandigheid van de professionals.
Kaspar Mengelberg 25 augustus 2005
Index