Over PUR, vervolgingsgetraumatiseerden, bezwaren tegen DBC-systematiek, staking van vergoeding van overheidswege. Lijst van publicaties onder Nieuwsberichten.
 
 
• 3 september 2009: Zoals hieronder (8 en 12 augustus 2009) is bericht zijn de bezwaren tegen de DBC-registraties van vervolgingsgetraumatiseerden, zoals in brieven van Joods Maarschappelijk Werk (JMW) en de Cliëntenraad van de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR) naar voren gebracht, door de verantwoordelijke staatssecretaris mevrouw Dr M. Bussemaker van de hand gewezen. Bovendien bevestigt de staatssecretaris dat vergoedingen van psychotherapeutische behandelingen van slachtoffers, die tot nu toe door de PUR en dus door de samenleving worden betaald, zullen worden gestaakt en dat de kosten van behandeling door de reguliere ziektekostenverzekeringen van de betrokkenen (of door de betrokkenen zelf) zullen moeten worden gedragen.
Prof. Dr Arnold Heertje kwalificeert in zijn brief van 11 augustus 2009 aan mevrouw Bussemaker het beëindigen van vergoeding van behandelingen van vervolgingsgetraumatiseerden door de overheid als “… een uiting van grove kwaadaardigheid jegens de Joodse gemeenschap in het algemeen en de overlevenden, die zijn aangewezen op ingrijpende en hoogwaardige psychische hulp in het bijzonder”.
Ook Ronald van den Berg, psychiater en psychoanalyticus, gaat in zijnbrief d.d. 22 augustus 2009 aan minister Dr A. Klink op deze materie in. Hij stelt onder meer vast dat sprake is van “…een regelrecht Berufsverbot … voor degenen die zich verzetten tegen de verplichte registratie van diagnostische (psychiatrische) patiëntgegevens”.

12 augustus 2009: Ronald van den Berg heeft, gebruik makend van een privé-contact, staatssecretaris Bussemaker een vernieuwde versie van "DBC's in 1000 woorden" ter hand gesteld. De reactie namens Minister Klink d.d. 22 juli 2009, van de hand van mevrouw E. Wennink, vindt men hierbij. Als bijlage was de al eerder hieronder gepubliceerde brief van mevrouw Bussemaker aan de Cliëntenraad van de PUR toegevoegd.

8 augustus 2009: Bezwaren tegen DBC’s van Joods Maatschappelijk werk (JMW) en Cliëntenraad van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) zijn afgewezen. Brieven betreffende oorlogsgetroffenen en DBC-systematiek [*] zijn door de staatssecretaris beantwoord.

De Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) heeft de minister en de staatssecretaris van VWS per brief d.d. 22 april 2009 laten weten dat de DBC-systematiek bij behandelingen van vervolgingsgetraumatiseerden "grote, ongunstige gevolgen" zal hebben. JMW geeft ondermeer de mening weer van gespecialiseerde psychiaters en psychotherapeuten waarmee zij samenwerkt; enkelen onder hen hebben vanwege principiële bezwaren tegen de DBC-systematiek inmiddels hun praktijk gestaakt, anderen overwegen dit te doen. Mede gezien de geringe beschikbaarheid van gespecialiseerde psychotherapeuten en de “door hen in twijfel getrokken privacybewaking” vraagt JMW uitdrukkelijk de ministeriële aandacht voor de gerezen problematiek. (zie ook bericht op deze site van 27 april 2009)

Ook de Cliëntenraad van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) heeft op 6 april 2009 een brief (kenmerk 2009-41-CR) aan de minister van VWS over de “problematiek oorlogsgetroffenen in relatie tot de verplichting van de DBC systematiek” geschreven. Na vastgesteld te hebben dat bij vervolgden sprake is van “angsten voor vormen van registraties en inbreuk op privacy” als gevolg van de DBC-systematiek, verzoekt de raad de minister “met klem een uitzondering te maken voor de wettelijk erkende oorlogsgetroffenen die de DBC systematiek als bedreigend ervaren”. De Cliëntenraad sluit haar brief als volgt af: “Wij hopen dan ook vurig dat u voor deze oorlogsgetroffenen kunt bepalen dat zij op de hen vertrouwde wijze kunnen blijven rekenen op de op hen afgestemde procedures en vergoeding van kosten door de PUR en dat er voor de problematiek van oorlogsgetroffenen een uitzondering gemaakt kan worden op de inmiddels verplichte DBC systematiek”. (zie ook bericht op deze site van 3 juni 2009)

Beide brieven zijn inmiddels beantwoord.
Namens de staatssecretaris toont de directeur Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII per
brief d.d. 18 juni 2009 aan JMW “begrip voor de gevoelens van onzekerheid” (van de oorlogsgetroffenen), en acht het “van belang dat de opgebouwde vertrouwensrelatie tussen een oorlogsgetroffene en zijn behandelaar voortgezet kan worden”. Zij benadrukt “dat de keuzevrijheid van de cliënt voor een zorgverlener door de overheveling van de ggz naar de Zvw niet in het geding kan zijn”.
De tot nu toe gebruikelijke vergoeding van behandelingen bij vervolgingsslachtoffers van overheidswege door de PUR wordt dus gestaakt. Betrokkenen zullen zich voor vergoeding tot hun ziektekostenverzekeraar moeten wenden. DBC-registratie is verplicht. Betrokkenen kunnen hun behandeling dus slechts voortzetten onder voorwaarde dat DBC-registraties worden verricht. (In de brief wordt overigens ten onrechte verwezen naar een brief van de minister. Moet zijn: van de staatssecretaris.)

Het bagatelliseren van de door JMW gesignaleerde problematiek tot “gevoelens van onzekerheid” miskent de ernst ervan. De gestelde “keuzevrijheid” van cliënten is in dit verband volstrekt buiten de orde van bezwaren tegen de DBC-systematiek.
JMW schrijft immers dat aan lopende behandelingen ten gevolge van DBC-registraties schade kan worden toegebracht, en dat deze zelfs hierom door de cliënt kan worden beëindigd. In de brief van JMW wordt tevens gemeld dat psychiaters en psychotherapeuten “menen niet langer te kunnen instaan voor de privacybescherming van hun patiënten waarzonder hun métier ondenkbaar is”.

Ook het antwoord van Staatssecretaris Dr M. Bussemaker aan de Cliëntenraad PUR (
brief d.d. 17 juni 2009)ademt de sfeer van bagatellisering van de problematiek. Zij schrijft “dat de zorgverlener … altijd in de positie verkeert de noodzakelijke zorg aan te blijven bieden”. Dit is een onterecht geruststellende en dus onjuiste voorstelling van zake. De verplichting tot DBC-registratie belemmert namelijk het bieden van adequate zorg op een wijze die door oorlogsgetroffenen zelf gewenst is, of sluit deze uit.

Mevrouw Bussemaker schrijft tevens “dat de gegevens in het DIS op geen enkele wijze kunnen worden herleid tot het individu” (bedoeld: tot de identiteit van de betrokken cliënt).
Ook dit is onterecht geruststellend en dus onjuist. Blijkens de brief van het College Bescherming Persoonsgegevens aan het ministerie van VWS d.d. 10 januari 2006 verlangt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) “dat met het oog op de samenstelling van statistische informatieproducten waarin kruisverbanden worden gelegd tussen gezondheidsgegevens en andersoortige gegevens … de DBC-gegevens uit het DIS kunnen worden gekoppeld met persoonsgegevens die reeds bij haar aanwezig zijn”. Dit heeft er toe geleid dat “[v]oor het CBS … een bijzondere situatie [is] gecreëerd. Aan het CBS wordt namelijk – als enige afnemer- de sleutel verstrekt waarmee het de pseudo-identiteiten alsnog kan identificeren”.
In tegenstelling tot wat mevrouw Bussemaker schrijft blijkt het dus wel degelijk mogelijk om gepseudonimiseerde DBC-registraties onder beheer van DIS door middel van een elektronische sleutel tot een individu te herleiden. Deze sleutel kan in principe ook aan andere derden, bijvoorbeeld aan de AIVD, ter beschikking worden gesteld. Afgezien hiervan zijn meerdere methoden denkbaar waardoor via data-aggregatie (bijeenbrengen van data uit verschillende bronnen) een gepseudonimiseerde DBC-registratie geïdentificeerd kan worden.

Joodse oorlogsgetroffenen hebben veelal onoverkomelijke bezwaren tegen het vastleggen en aanleveren van DBC-registraties. Dit is niet verwonderlijk omdat hun naasten met behulp van
bestaande bevolkingsregistraties in de Tweede Wereldoorlog zijn afgevoerd en vermoord.

Vastgesteld moet worden dat de staatssecretaris het door haar gestelde belang van “beleidsinformatie en het herijken van het DBC-systeem” laat prevaleren boven de bezwaren tegen de DBC-systematiek van zowel cliënten van de Pensioen- en Uitkeringsraad als van psychiaters en psychotherapeuten met speciale deskundigheid op het gebied van psychische oorlogsgevolgen, zoals door JMW verwoord.

De brief van de staatssecretaris
bevestigt dat vergoedingen van psychotherapeutische behandelingen van oorlogsslachtoffers en hun nakomelingen die tot nu toe door de PUR en dus door de samenleving worden betaald zullen worden gestaakt en dat de kosten van behandeling door de reguliere ziektekostenverzekeringen van de betrokkenen (of door de betrokkenen zelf) zullen moeten worden gedragen.

Bij de totstandkoming en de uitvoering van de verschillende wetten ten behoeve van verzetsdeelnemers en vervolgden heeft de overheid steeds de “ereschuld” en de “bijzondere solidariteit” jegens hen als uitgangspunten genomen.

Het is te hopen dat staatssecretaris Dr M. Bussemaker (Partij van de Arbeid) op haar besluiten zal terugkomen en dat zij aan deze uitgangspunten, die zij ook zelf in haar brief en in haar schijven aan de Tweede Kamer van 17 juni 2008 noemt, alsnog het gewicht zal toekennen dat aan de betrokkenen toekomt.
Kaspar Mengelberg
 

[*] DBC-registraties zijn gedetailleerde elektronische vastleggingen van gegevens betreffende de patiënt, diens diagnose en diens behandeling. Zij zijn tijdrovend en moeten conform de regelgevingvan de Nederlandse zorgautoriteit (NZa) in speciale computerprogramma’s worden ingevoerd en vervolgens doorgegeven. DBC-registraties dienen geen therapeutisch nut.
Deze registraties kennen de volgende fases.
1. Registratie door de behandelaar.
DBC-registraties zijn voorzien van alle gebruikelijke patiëntengegevens zoals naam, adres, geboortedatum, burgerservicenummer, verzekering, polisnummer, huisarts.
DBC-registraties dienen conform de Minimale Dataset GGZ (NZa) diagnostische en anamnestische gegevens te omvatten, zoals het psychiatrische toestandbeeld of toestandsbeelden (bijvoorbeeld angststoornis, stemmingsstoornis, bipolaire stoornis, schizofrenie, aanpassingsstoornis), de aan- of afwezigheid van (langdurige) persoonlijkheidsproblematiek en specificatie daarvan (bijvoorbeeld narcistische persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis, schizoïde persoonlijkheidsstoornis), de opsomming van lichamelijke aandoeningen in heden en verleden, het karakter van eventuele maatschappelijke problematiek (bijvoorbeeld gezinsproblemen, economische problemen, problemen met justitie) en een globale inschatting van het niveau van functioneren op een schaal van nul tot honderd.
Verder dienen de data van alle behandelcontacten (al dan niet psychotherapeutisch, vis à vis, telefonisch, per e-mail, medicatievoorschriften e.d.) te worden vastgelegd.
2. Verzending van de DBC-registratie naar DBC Informatie Systeem (DIS).
Na afsluiting van de behandeling, of bij langer durende behandelingen eens per jaar, dienen de registraties via de elektronische weg naar het DIS verzonden te worden. De registraties worden hierbij van de persoonskenmerken van de patiënt ontdaan; deze worden vervangen door een pseudoniem op basis van postcodecijfers, geslacht en geboortejaar. Dit pseudoniem is uniek voor de individuele patiënt om verwisselingen te voorkomen. De identiteit van de behandelaar wordt vermeld. Feitelijk worden de registraties onder bestuurlijk beheer van de Stichting DBC Onderhoud in en vanuit de computers van Logica Nederland BV te Rijswijk opgeslagen, verwerkt en onder verschillende rechthebbenden (o.a. NZa, Ministerie, College voor Zorgverzekeringen) verspreid. Een van de taken van DIS is de controle van de registraties op juistheid en volledigheid (“validatie”). Gevalideerde registraties worden naar de behandelaar teruggezonden.
3. Opmaken van de rekening.
Op basis van de gevalideerde DBC zal de behandelaar na ontsleuteling van het pseudoniem de weer op naam van de patiënt gestelde rekening opmaken, en deze via de elektronische weg naar de ziektekostenverzekeraar of de patiënt verzenden. Op de rekening moet de diagnose in hoofdgroepen worden vermeld. Deze is minder gedetailleerd en gespecificeerd dan op de oorspronkelijke DBC-registraties was vereist, maar bevat niettemin aanduidingen als “angststoornis”, “bipolaire stoornis”, “schizofrenie” en dergelijke.
 
 
3 juni 2009: De cliëntenraad van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) heeft op 6 april 2009 een brief (kenmerk 2009-41-CR) aan de minister van VWS geschreven betreffende “problematiek oorlogsgetroffenen in relatie tot de verplichting van de DBC systematiek”. De cliëntenraad bepleit hierin “dat er voor de problematiek van oorlogsgetroffenen en uitzondering gemaakt kan worden op de inmiddels verplichte DBC systematiek”. De cliëntenraad berichtte het niet gepast te achten dat deze brief hier in extenso gereproduceerd wordt. Zij heeft echter geen bezwaren tegen aanduiding ervan.
 
31 mei 2009: PUR staakt vergoeding van behandelingen, vervolg
Artikel 19 van de WET OP DE PENSIOEN- EN UITKERINGSRAAD (Wet PUR) luidt:
"Onze minister kan de Raad aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 3, onder a, genoemde wetten."
Verder, Artikel 20 van de WET UITKERINGEN VERVOLGINGSSLACHTOFFERS 1940-1945 (Wuv) luidt:
"1. Indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, geneeskundige behandeling en verpleging behoeft, worden de daaraan verbonden ten laste van de vervolgde blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen, volledig vergoed, tenzij het derde lid van toepassing is.
4. Een vergoeding ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt slechts verleend voor zover deze niet ten laste kunnen worden gebracht van een zorgverzekering ingevolge de Zorgverzekeringswet of een andere ziektekostenverzekering of ten laste daarvan zouden kunnen worden gebracht indien een zodanige verzekering is of zou zijn gesloten. De Raad kan van de eerste volzin afwijken, indien, gezien de individuele omstandigheden van de aanvrager, naar het oordeel van de Raad daartoe gegronde redenen aanwezig zijn".

Tot 1 januari 2008 werd psychotherapie conform de AWBZ vergoed en was beperkt tot 90 zittingen; daarna werd de financiering door de PUR overgenomen. Sinds 2008 kan ook (zeer) langdurige behandeling in Nederland in principe conform de Zorgverzekeringswet ten laste van de ziektekostenverzekeraar worden gebracht.
Met andere woorden de minister heeft de macht te beslissen conform zijn brief d.d. 15 mei 2009 . De beslissing ligt ook voor de hand omdat daarmee deze uitkering niet meer ten laste van zijn begroting maar ten laste van de ziektekostenverzekeraar komt. Uitkeringsgerechtigden die in het buitenland wonen zal dit ordeal bespaard blijven.

Nog geheel afgezien van de privacyschendende implicaties van de DBC-systematiek is onvermijdelijk sprake van een substantiële verslechtering van de positie van vervolgingsslachtoffers in behandeling. De PUR gaf tot nu toe veiligheid. Ziektekostenverzekeraars zullen mogelijk proberen zich op naargeestige wijze van de zorglasten te ontdoen, kortdurende behandelingen entameren, verwijzing naar het maatschappelijk werk om de hoek of in de wijk voorstellen en dergelijke.
In feite komt e.e.a. neer op het op termijn afschaffen van vergoeding van behandeling door de PUR. Dit is in flagrante tegenspraak met geruststellende mededelingen van de zijde van staatssecretaris Dr J. Bussemaker (PvdA). Zie hiervoor hieronder in bericht van 20 mei 2009
 
20 mei 2009: PUR staakt vergoeding van behandelingen.
Joodse patiënten van psychiaters en psychotherapeuten, met name de directe en indirecte vervolgingsslachtoffers onder hen, hebben zoals eerder uiteengezet grote bezwaren tegen de DBC-systematiek. Bezwaren die blijkens de brief van Joods Maatschappelijk Werk (JMW) aan het ministerie d.d. 22 april 2009 door behandelaars worden gedeeld.
Een betrokkene correspondeerde hierover met het ministerie. Na eerder met geruststellende kluitjes in het riet gestuurd te zijn werd door betrokkene de brief d.d. 15 mei 2009 van de minister ontvangen. Niet alleen wordt elk bezwaar terzijde geschoven. In de voorlaatste alinea wordt zelfs gemeld dat de vergoeding van psychotherapeutische behandelingen door de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) zal worden gestaakt en naar de gewone ziektekostenverzekeringen zal worden overgeheveld.
Dit is in stijd met geruststellende toezeggingen zoals gedaan door de verantwoordelijke staatssecretaris Dr J. Bussemaker (PvdA), in Aanspraak van september 2008 (pagina 4 e.v.). Kennelijk zijn PvdA en CDA bereid de verantwoordelijkheid voor deze bezuinigingsmaatregel ten koste van vervolgingsslachtoffers te dragen. Het is wenselijk dat JMW, de PUR en anderen tegen het staken van vergoedingen stelling nemen.
 
 
13 januari 2009: Waarom de DBC-systematiek in het bijzonder voor veel Joodse patiënten onaanvaardbaar is